| compressie neuropathie duplex eplilepsie myopathie polyneuropathie |
| inleiding |
| CTS |
| ulnaris |
| peroneus |
| cerebrale vaatboom |
| EEG bij epilepsie |
| EMG bij myopathie |
| diagnostiek PNP |
Definities en epidemiologische gegevens
Diagnose epilepsie en classificatie epilepsieën en epileptische syndromen
Correlatie epileptiforme verschijnselen met afzonderlijke epilepsiesyndromen
Bijzondere technieken voor piekdetectie en analyse van epileptiforme verschijnselen
Epilepsie is een aandoening gekenmerkt door herhaalde epileptische
aanvallen niet uitgelokt door enige direct vast te stellen oorzaak (ILAE, 1993).
Een epileptische aanval wordt verondersteld het
gevolg te zijn van abnormale en excessieve ontladingen van neuronen in de schors
van de grote hersenen. De klinische verschijnselen bestaan uit plotselinge,
voorbijgaande abnormale verschijnselen, die kunnen bestaan uit veranderingen
van het bewustzijn; motorische, sensibele, autonome of psychische verschijnselen,
waargenomen door de patiënt of een omstander (ILAE, 1993).
De incidentie van epilepsie is 40 tot 70/100.000, de prevalentie 0,5 tot 1%. De cumulatieve incidentie/prevalentie over het leven is 2 tot 5%. Er is een bi-modale verdeling: een eerste piek in de eerste decade (voornamelijk in het eerste jaar) en een tweede piek na het 65ste jaar (Sander and Shorvon, 1996).
In Nederland zijn vooral de (kinder)neuroloog en de kinderarts betrokken bij de diagnostiek en behandeling van patiënten met epilepsie. Voor de algemene KNF-afdeling vormt het indicatiegebied epilepsie de belangrijkste bron voor EEG-aanvragen.